Hoofdstuk 6 · Nectar (4.1e editie) · Biologie VWO
Examenvragen bij hoofdstuk 6: Soorten en populaties
41 vragen uit 10 eindexamens Biologie VWO (2021 tot en met 2025) gaan over de stof van hoofdstuk 6 (Soorten en populaties) van Nectar (4.1e editie), samen goed voor 66 punten. Bij elke vraag staat een uitleg: wat er gevraagd wordt, hoe je het aanpakt, het antwoord voor alle punten en de valkuilen. Hieronder zie je per vraag wat er gevraagd wordt; klik door om de vraag te maken.
Valkuilen bij hoofdstuk 6
Uit de uitleg bij deze vragen: antwoorden die te vaag zijn, begrippen die je makkelijk verwart en wat het correctievoorschrift wel en niet goed rekent.
- Bij vraag 15 van ‘De nijlpaarden van Pablo Escobar’ (2025, tijdvak 1) →
Alleen een factor noemen ("ziekte") is niet genoeg: de vraag zegt 'licht toe', dus beschrijf het gevolg voor de sterfte of de voortplanting. Ook predatie telt alleen met een passende toelichting.
- Bij vraag 11 van ‘Jakobskruiskruid uit de berm’ (2025, tijdvak 2) →
Specialisatie op één waardplant komt door aanpassingen aan die plant en zijn afweerstoffen, niet door een kleine populatie. Denk bij co-evolutie aan een wapenwedloop tussen plant en planteneter.
- Bij vraag 34 van ‘Epilepsie door lintwormlarven’ (2025, tijdvak 2) →
De mens komt twee keer voor, in twee rollen. Kijk dus naar wat er in die mens zit: een volwassen worm in de darm (eindgastheer) of larven in cysten (tussengastheer). De jongen in deze opgave is tussengastheer: hij heeft cysten in zijn hersenen.
- Bij vraag 40 van ‘Dwergolifanten op Sicilië’ (2025, tijdvak 2) →
Voor het kleinste aantal soorten werken beide factoren dezelfde kant op: klein én ver weg. Kies dus niet op één factor alleen.
- Bij vraag 3 van ‘Nicotine tijdens de vroege embryonale ontwikkeling’ (2024, tijdvak 1) →
Schrijf je 'predatie' in plaats van 'vraat', dan wordt dat goed gerekend. Het model accepteert ook dat nicotine dieren lokt voor bestuiving of zaadverspreiding. Een antwoord over het nut voor de mens (tabak, verslaving) is fout: de vraag gaat over de functie voor de plant.
- Bij vraag 13 van ‘Spitsbergenrendier verandert zijn dieet’ (2024, tijdvak 1) →
"Ze hebben minder voedsel" zonder oorzaak is geen verklaring. Noem de concurrentie of de verandering in de vegetatie.
Alle 41 vragen over hoofdstuk 6
Per vraag zie je wat er gevraagd wordt. In de opgave staan de vragen over dit onderwerp in het groen.
Eindexamen 2025, tijdvak 1
- Vraag 142 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de groei van de nijlpaardenpopulatie in afbeelding 2. Dit test populatiegroei, dichtheidsafhankelijke factoren en het begrip niche.
- Vraag 151 punt · met uitleg
Je geeft een voorbeeld van een biotische factor die de groei van de nijlpaardenpopulatie kan beperken, en je legt uit hoe. Dit test het verschil tussen biotische en abiotische factoren.
- Vraag 232 punten · met uitleg
Je beoordeelt voor vier gevolgen van de nijlpaarden of ze de biodiversiteit verhogen. Dit test wat biodiversiteit is en hoe concurrentie, habitats en eutrofiëring die beïnvloeden.
Eindexamen 2025, tijdvak 2
- Vraag 111 punt · met uitleg
Je kiest het biologische begrip waarvan de sint-jakobsvlinder een voorbeeld is: de rups leeft alleen nog op jakobskruiskruid.
- Vraag 122 punten · met uitleg
Specialistische vraatinsecten worden ingezet tegen jakobskruiskruid. Je bepaalt welke planten daardoor in het voordeel zijn (met een hoge of een lage PA-productie) en wat er gebeurt met het aantal niet-specialistische vraatinsecten. Dit test concurrentie en natuurlijke selectie.
- Vraag 131 punt · met uitleg
Je beargumenteert of de jakobskruid-aardvlo op die weilanden een exoot is. Dit test het begrip exoot.
Eindexamen 2024, tijdvak 1
Eindexamen 2024, tijdvak 2
- Vraag 11 punt · met uitleg
Je kiest een van de twee wetenschappelijke namen en onderbouwt die keuze biologisch. Dit test het begrip soort.
- Vraag 22 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken met afbeelding 2. Dit test het lezen van een cladogram: wie is met wie het nauwst verwant.
- Vraag 42 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over inteelt. Dit test wat inteelt doet met allelen en fitness.
- Vraag 52 punten · met uitleg
Je vult twee woorden in: wat was nog niet bezet, en wat gebeurde er met de successie. Dit test de begrippen habitat, niche, ecosysteem en successie.
- Vraag 91 punt · met uitleg
Je verklaart waarom ambrosia zich pas de laatste jaren in Nederland heeft gevestigd. Dit test het verband tussen klimaat en het voltooien van een levenscyclus.
- Vraag 161 punt · met uitleg
Je geeft een mogelijke verklaring waarom extra bladhaantjes in Noord-Amerika ambrosia niet effectief bestrijden. Dit test populatie-interacties in een ecosysteem.
- Vraag 172 punten · met uitleg
Je bepaalt welke van twee uitspraken over de tolerantiecurven in afbeelding 4 juist is. Dit test het lezen van een tolerantiecurve: waar de voorspelde overlevingskans boven 0 ligt, kan de soort leven.
- Vraag 181 punt · met uitleg
Je noemt twee verschillende biotische factoren die de overlevingskans van het bladhaantje kunnen beïnvloeden. Dit test het verschil tussen biotische en abiotische factoren.
- Vraag 401 punt · met uitleg
Je bepaalt op welke bodem de symbiose met knolletjesbacteriën een vlinderbloemige het meeste voordeel geeft. Dit test de rol van knolletjesbacteriën in de stikstofkringloop.
- Vraag 412 punten · met uitleg
Je legt uit waarom een kortere stengel van witte klaver nadelig is voor de knolletjesbacteriën als er ook andere planten staan. Dit test lichtconcurrentie en de symbiose tussen plant en bacterie.
Eindexamen 2023, tijdvak 1
Eindexamen 2023, tijdvak 2
- Vraag 162 punten · met uitleg
Je beoordeelt twee uitspraken over de symbiose tussen mycorrhiza-schimmels en sorghum en kiest welke juist is. Dit test mutualisme en voedingswijzen.
- Vraag 212 punten · met uitleg
Je geeft twee redenen waarom wieden Striga weinig effectief bestrijdt. Dit test de levenscyclus van een parasiet.
- Vraag 242 punten · met uitleg
Je koppelt drie maatregelen aan strategie P (kieming remmen of voorkomen) of Q (voortijdig laten ontkiemen). Dit test de rol van strigolactonen en fosfaat.
Eindexamen 2022, tijdvak 1
- Vraag 102 punten · met uitleg
Je legt uit dat slappe bladschedes bij de flexibele variant van groot zeegras een aanpassing zijn aan de plaats waar die variant leeft. Dit test het begrip aanpassing: een kenmerk dat bij de omgeving past.
- Vraag 122 punten · met uitleg
Je legt uit dat de voortplanting van de robuuste variant (via wortelstokken) invloed kan hebben gehad op het uitsterven van de populatie in de Waddenzee. Dit test het verband tussen ongeslachtelijke voortplanting, genetische variatie en kwetsbaarheid van een populatie.
- Vraag 161 punt · met uitleg
Je legt uit waarom daglengte een betrouwbaardere stimulus is dan temperatuur voor het leggen van diapauze-eitjes. Dit test de eigenschappen van abiotische factoren in de loop van het jaar.
- Vraag 192 punten · met uitleg
Je noteert bij drie relaties in afbeelding 4 (mens, tijgermug, chikungunya-virus) welke vorm van symbiose het best past. Dit test parasitisme, commensalisme en mutualisme.
Eindexamen 2022, tijdvak 2
- Vraag 271 punt · met uitleg
Je noteert de naam van het proces waarin de mug en Plasmodium steeds beter aan elkaar aangepast raken. Dit test het begrip co-evolutie.
- Vraag 282 punten · met uitleg
Je noemt de vorm van symbiose tussen mug en Plasmodium en tussen Plasmodium en mens. Dit test het onderscheid tussen mutualisme, commensalisme en parasitisme.
- Vraag 391 punt · met uitleg
Je kiest het diagram dat past bij de verspreiding van het gene-drive-construct en je verklaart het verloop. Dit test het verband tussen een gene drive en de populatiegrootte.
Eindexamen 2022, tijdvak 3
Eindexamen 2021, tijdvak 3
- Vraag 12 punten · met uitleg
Je legt uit waarom koraaldiertjes met zoöxanthellen niet dieper voorkomen dan ongeveer 50 meter. Dit test het verband tussen symbiose, fotosynthese en licht.
- Vraag 22 punten · met uitleg
Je bepaalt van vier gegevens over het rif of ze de zoöxanthellen een voordeel geven ten opzichte van algen die vrij in het water leven. Dit test de voordelen van een symbiose.