Hoofdstuk 14 · Nectar (4.1e editie) · Biologie VWO
Examenvragen bij hoofdstuk 14: Zenuwstelsel
25 vragen uit 9 eindexamens Biologie VWO (2021 tot en met 2025) gaan over de stof van hoofdstuk 14 (Zenuwstelsel) van Nectar (4.1e editie), samen goed voor 43 punten. Bij elke vraag staat een uitleg: wat er gevraagd wordt, hoe je het aanpakt, het antwoord voor alle punten en de valkuilen. Hieronder zie je per vraag wat er gevraagd wordt; klik door om de vraag te maken.
Valkuilen bij hoofdstuk 14
Uit de uitleg bij deze vragen: antwoorden die te vaag zijn, begrippen die je makkelijk verwart en wat het correctievoorschrift wel en niet goed rekent.
- Bij vraag 26 van ‘Onderzoek naar pijnbeleving’ (2025, tijdvak 1) →
'Een dikkere uitloper' is fout: dat is de diameter, die de vraag al als andere oorzaak noemt.
- Bij vraag 37 van ‘Epilepsie door lintwormlarven’ (2025, tijdvak 2) →
Schrijf niet dat de larven nog leven of resistent zijn: volgens de tekst zijn ze gedood. Het gaat om wat er na hun dood achterblijft.
- Bij vraag 14 van ‘Bestrijding van ambrosia’ (2024, tijdvak 2) →
Orthosympatisch en parasympatisch zijn makkelijk te verwisselen. Bij een astma-aanval trekken de bronchiolen samen, dus is de keuze voor het orthosympatische deel een typische misser.
- Bij vraag 32 van ‘Slaap herstelt DNA’ (2024, tijdvak 2) →
Beide niveaus moeten genoemd worden. "Het neuron heeft energie nodig voor actief transport" is te vaag: noem de Na-K-pomp of de ionen.
- Bij vraag 6 van ‘Maarten van der Weijden zwemt de Elfstedentocht’ (2023, tijdvak 1) →
Vaatvernauwing in de huid en minder zweet maken zijn processen die het autonome zenuwstelsel regelt, dus die leveren geen punt op.
- Bij vraag 29 van ‘Vergiftigen pijlgifkikkers zichzelf niet?’ (2023, tijdvak 1) →
Een stof die op dezelfde receptor hetzelfde effect geeft, is een agonist. Een antagonist remt of blokkeert dat effect.
Alle 25 vragen over hoofdstuk 14
Per vraag zie je wat er gevraagd wordt. In de opgave staan de vragen over dit onderwerp in het groen.
Eindexamen 2025, tijdvak 1
- Vraag 261 punt · met uitleg
Je noemt onderdeel P: wat de Aδ-neuronen wel hebben en de C-neuronen niet, en wat zorgt voor snellere geleiding. Dit test de bouw van neuronen en impulsgeleiding.
- Vraag 272 punten · met uitleg
Je berekent hoeveel tijd er minimaal zit tussen het begin van de stekende pijn en het begin van de zeurende pijn, bij uitlopers van 1,0 meter. Dit test rekenen met geleidingssnelheden.
- Vraag 312 punten · met uitleg
De -kanaaltjes openen bij een kleinere stijging van de membraanpotentiaal dan normaal. Je bepaalt of de drempelpotentiaal dan hoger of lager is, en of dat past bij CIP of IEM.
Eindexamen 2025, tijdvak 2
- Vraag 312 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de MRI-scan van het hoofd van de jongen (afbeelding 1) en de tekening ervan (afbeelding 2). Dit test de bouw van de hersenen: de functies van hersengebieden en het verschil tussen grijze en witte stof.
- Vraag 322 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de productie, afgifte en werking van acetylcholine bij een motorisch eindplaatje. Dit test de werking van een synaps en waar in een neuron eiwitten worden gemaakt.
- Vraag 371 punt · met uitleg
De larven zijn gedood, maar de jongen heeft nog steeds af en toe epileptische aanvallen. Je verklaart waardoor. Dit test of je oorzaak en gevolg uit elkaar houdt.
Eindexamen 2024, tijdvak 1
- Vraag 12 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de synaps in afbeelding 1. Je hebt kennis nodig van agonisten en antagonisten, van exocytose en van de heropname van een neurotransmitter.
- Vraag 23 punten · met uitleg
Je legt uit waarom het beloningscentrum met nicotine sterker wordt geactiveerd dan met acetylcholine. Dit test hoe een synaps werkt en wat de afbraak van een neurotransmitter doet.
Eindexamen 2024, tijdvak 2
Eindexamen 2023, tijdvak 1
- Vraag 292 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de werking van epibatidine op het postsynaptische neuron. Dit test de werking van een synaps.
- Vraag 301 punt · met uitleg
Je geeft een mogelijke verklaring waardoor de -kanaaltjes met epibatidine langer open blijven dan met acetylcholine. Dit test de afbraak en de binding van een neurotransmitter.
- Vraag 332 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de grafieken in afbeelding 3. Dit test het lezen van dosis-responscurves.
Eindexamen 2022, tijdvak 1
- Vraag 292 punten · met uitleg
Je bepaalt in welk membraan de NMDA-receptor zit en welk proces (depolarisatie, repolarisatie of hyperpolarisatie) de binding van N₂O voorkomt. Dit test de werking van een synaps.
- Vraag 331 punt · met uitleg
Je kiest in welk deel van het zenuwstelsel myelineschedes voorkomen. Dit test de bouw van zenuwen.
- Vraag 341 punt · met uitleg
Je verklaart waarom impulsen bij Lia later aankomen dan bij een gezond persoon. Dit test de impulsgeleiding in een myelinevezel.
Eindexamen 2022, tijdvak 2
Eindexamen 2022, tijdvak 3
- Vraag 312 punten · met uitleg
Je beschrijft waaraan je aan afbeelding 1 ziet dat de weergegeven motorische neuronen geen schakelneuronen en geen sensorische neuronen zijn. Dit test het herkennen van de typen neuronen.
- Vraag 321 punt · met uitleg
Je verklaart met afbeelding 1 waarom de spierfunctie acht jaar na de infectie weer deels hersteld is. Dit test het herstellen van de verbinding tussen zenuw en spier.
- Vraag 332 punten · met uitleg
Je bepaalt van vier effecten of ze door aantasting van het animale zenuwstelsel kunnen komen. Dit test het verschil tussen het animale en het autonome zenuwstelsel.