Hoofdstuk 2 · Nectar (4.1e editie) · Biologie VWO
Examenvragen bij hoofdstuk 2: Cel en leven
31 vragen uit 10 eindexamens Biologie VWO (2021 tot en met 2025) gaan over de stof van hoofdstuk 2 (Cel en leven) van Nectar (4.1e editie), samen goed voor 52 punten. Bij elke vraag staat een uitleg: wat er gevraagd wordt, hoe je het aanpakt, het antwoord voor alle punten en de valkuilen. Hieronder zie je per vraag wat er gevraagd wordt; klik door om de vraag te maken.
Valkuilen bij hoofdstuk 2
Uit de uitleg bij deze vragen: antwoorden die te vaag zijn, begrippen die je makkelijk verwart en wat het correctievoorschrift wel en niet goed rekent.
- Bij vraag 2 van ‘Slangengifklieren uit het lab’ (2025, tijdvak 1) →
Noem bij het golgi-systeem niet alleen 'transport', maar ook waarheen: naar buiten de cel. Ribosomen maken geen mRNA; dat gebeurt bij de transcriptie in de kern.
- Bij vraag 8 van ‘Hoe planten overstroming overleven’ (2025, tijdvak 1) →
Het tweede punt krijg je alleen als je het eerste ook hebt. "De concentratiegradiënt wordt kleiner" is alleen goed als je minstens één van de twee factoren uit de breuk toelicht.
- Bij vraag 28 van ‘Onderzoek naar pijnbeleving’ (2025, tijdvak 1) →
Een gen hebben is iets anders dan het gebruiken: P en R hebben het gen ook, maar alleen in de sensorische neuronen heeft de mutatie gevolgen. Zet bij de tweede regel dus alleen Q.
- Bij vraag 27 van ‘Zwanger met de ziekte van Graves’ (2025, tijdvak 2) →
Het golgi-systeem bewerkt eiwitten wel verder, maar de vouwing tot de secundaire en tertiaire structuur gebeurt al in het ER. De primaire structuur, de volgorde van de aminozuren, ontstaat aan de ribosomen.
- Bij vraag 5 van ‘Nicotine tijdens de vroege embryonale ontwikkeling’ (2024, tijdvak 1) →
Een blastula is geen zygote meer: de binnenste cellen kunnen geen placenta maken, dus ze zijn pluripotent. Onthoud de volgorde toti → pluri → multi: tijdens de ontwikkeling ga je die alleen van links naar rechts af.
- Bij vraag 28 van ‘Bonenziekte’ (2024, tijdvak 1) →
"Rode bloedcellen hebben geen mitochondriën" is waar, maar verklaart niet waarom er geen eiwit kan worden gemaakt. Een antwoord dat alleen herhaalt dat er "te weinig G6PD-activiteit" is, verklaart ook niets.
Alle 31 vragen over hoofdstuk 2
Per vraag zie je wat er gevraagd wordt. In de opgave staan de vragen over dit onderwerp in het groen.
Eindexamen 2025, tijdvak 1
- Vraag 12 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de gifklier en het afvoerbuisje. Je hebt kennis nodig van klieren (exocrien of endocrien), van ATP en van epitheelweefsel.
- Vraag 22 punten · met uitleg
Je legt uit waarom een cel die gif maakt veel ribosomen en een groot golgi-systeem heeft. Dit test de functie van organellen bij het maken en uitscheiden van eiwitten.
- Vraag 51 punt · met uitleg
Je zoekt in de tekst het gegeven waaruit blijkt dat er stamcellen tussen de losgemaakte cellen zaten, en je legt uit waarom. Dit test wat een stamcel is.
- Vraag 62 punten · met uitleg
De onderzoekers concludeerden dat de organoïden minigifkliertjes zijn. Je beschrijft welke uitkomst van de mRNA-vergelijking tot die conclusie leidt. Dit gaat over genexpressie en celdifferentiatie.
Eindexamen 2025, tijdvak 2
Eindexamen 2024, tijdvak 1
Eindexamen 2024, tijdvak 2
Eindexamen 2023, tijdvak 1
Eindexamen 2023, tijdvak 2
- Vraag 72 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de vermenigvuldiging van het ebolavirus in een menselijke cel. Dit test het lezen van afbeelding 1, mRNA en translatie, en het celmembraan.
- Vraag 111 punt · met uitleg
Je verklaart waarom de fusie van een plasmacel met een tumorcel nodig is voor langdurige antistofproductie op grote schaal. Dit test monoklonale antistoffen.
Eindexamen 2022, tijdvak 1
Eindexamen 2022, tijdvak 3
- Vraag 272 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie beweringen over multipotente stamcellen. Dit test de ontwikkeling van stamcellen.
- Vraag 281 punt · met uitleg
Je verklaart met de neurale-lijstceltheorie waar de witte vlekken vooral zitten. Dit test het verband tussen migratie van neurale-lijstcellen en pigmentatie.
- Vraag 342 punten · met uitleg
Je kiest de mogelijke verklaring waarom het poliovirus maar één type neuron infecteert. Dit test het verschil tussen de aanwezigheid van een gen en de expressie ervan.
- Vraag 362 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie beweringen over de vermenigvuldiging van het poliovirus, met afbeelding 3. Dit test het lezen van het vermenigvuldigingsschema.
Eindexamen 2021, tijdvak 2
- Vraag 211 punt · met uitleg
Je beschrijft wat een epigenetische oorzaak van de toename van de huidmondjesdichtheid inhoudt. Dit test het begrip epigenetica.
- Vraag 232 punten · met uitleg
Je bepaalt of een blad krimpt door verlies van turgor en of het krimpt door voortschrijdende plasmolyse. Dit test turgor, plasmolyse en de rol van de celwand.
Eindexamen 2021, tijdvak 3
- Vraag 102 punten · met uitleg
Je bepaalt of het bloedplasma bij ijsvorming hyper- of hypotoon wordt ten opzichte van het cytoplasma van de bloedcellen, en wat dat voor de cellen betekent. Dit test osmose.
- Vraag 142 punten · met uitleg
Je bepaalt waar het AFGP na de synthese terechtkomt (ER of grondplasma) en welk organel de blaasjes naar het celmembraan verstuurt. Dit test de weg van een uitgescheiden eiwit door de cel.