Hoofdstuk 6 · Biologie voor Jou · Biologie VWO
Examenvragen bij hoofdstuk 6: Mens en Milieu
18 vragen uit 8 eindexamens Biologie VWO (2021 tot en met 2024) gaan over de stof van hoofdstuk 6 (Mens en Milieu) van Biologie voor Jou, samen goed voor 29 punten. Bij elke vraag staat een uitleg: wat er gevraagd wordt, hoe je het aanpakt, het antwoord voor alle punten en de valkuilen. Hieronder zie je per vraag wat er gevraagd wordt; klik door om de vraag te maken.
Valkuilen bij hoofdstuk 6
Uit de uitleg bij deze vragen: antwoorden die te vaag zijn, begrippen die je makkelijk verwart en wat het correctievoorschrift wel en niet goed rekent.
- Bij vraag 17 van ‘Koolmezen dood door bestrijding buxusmot?’ (2024, tijdvak 1) →
Verwar persistent niet met accumulatie: dat is het ophopen van een stof in een voedselketen, en dat gebeurt juist doordat de stof persistent is. De vraag gaat over de eigenschap 'slecht afbreekbaar' zelf. 'Giftig' is geen antwoord: dat geldt voor elke gifstof.
- Bij vraag 38 van ‘PFAS in groentetuintjes’ (2024, tijdvak 1) →
D is verleidelijk, maar kijk naar de eenheid: 'per kg lichaamsgewicht'. B klinkt logisch omdat veel persistente stoffen zich in vet ophopen, maar dat staat hier nergens; de opstapeling over een lang leven is de reden die uit de tekst volgt.
- Bij vraag 37 van ‘Schadelijke peuken’ (2024, tijdvak 2) →
Je rekent met een verhouding, niet met een verschil. procentpunten is niet het antwoord. Met 56% krijg je , dat is ook goed.
- Bij vraag 27 van ‘Sorghum als alternatief voor mais’ (2023, tijdvak 1) →
Zeg je dat methaan wordt omgezet in en daardoor het klimaat beïnvloedt, dan krijg je geen punt: het gaat om methaan zelf als broeikasgas.
- Bij vraag 36 van ‘Fosfor in een lekkende kringloop’ (2023, tijdvak 1) →
Zeg je alleen dat fosfor via menselijke consumptie en het riool in het oppervlaktewater komt, dan krijg je het tweede punt niet. Het gaat om de keten via de varkens.
- Bij vraag 22 van ‘Strijden tegen Striga’ (2023, tijdvak 2) →
Noem de stikstof als oorzaak en laat zien dat sorghum die opneemt. Alleen "vlinderbloemigen zijn goed voor de bodem" is te vaag.
Alle 18 vragen over hoofdstuk 6
Per vraag zie je wat er gevraagd wordt. In de opgave staan de vragen over dit onderwerp in het groen.
Eindexamen 2024, tijdvak 1
- Vraag 162 punten · met uitleg
Pyrethroïden verhinderen dat de spanningsafhankelijke -kanalen in een neuron sluiten. Je beoordeelt drie uitspraken over het effect daarvan. Je hebt kennis nodig van het verloop van een actiepotentiaal.
- Vraag 171 punt · met uitleg
Je noemt de term voor een gifstof die slecht wordt afgebroken en daardoor lang in het milieu blijft.
- Vraag 181 punt · met uitleg
In één nest zat een herbicide, een gif tegen planten, in de jonge koolmezen. Je verklaart hoe die stof daar kan komen.
Eindexamen 2024, tijdvak 2
Eindexamen 2023, tijdvak 1
- Vraag 362 punten · met uitleg
Je legt met afbeelding 2 uit hoe in Nederland een verhoogd fosfaatgehalte in het oppervlaktewater kan ontstaan. Dit test de weg van fosfor door een landbouwketen.
- Vraag 371 punt · met uitleg
Je noemt een mogelijke oorzaak waardoor de benodigde fosfaatbemesting daalt terwijl de opname stijgt. Dit test de fosforkringloop in de landbouw.
Eindexamen 2023, tijdvak 2
Eindexamen 2022, tijdvak 1
Eindexamen 2022, tijdvak 3
- Vraag 171 punt · met uitleg
Je beoordeelt of de halveringstijd erop wijst dat glyfosaat een persistent middel is. Dit test het begrip persistentie.
- Vraag 222 punten · met uitleg
Je beredeneert waarom drijfmest en groenbemesting niet passen bij fosfietbemesting tegen onkruid. Dit test het verband tussen de fosforvorm en wie ervan kan groeien.
- Vraag 231 punt · met uitleg
Je beargumenteert of er algenbloei komt als er fosfiet in plaats van fosfaat in het oppervlaktewater komt. Dit test eutrofiëring en het gebruik van fosforbronnen.
Eindexamen 2021, tijdvak 2
- Vraag 261 punt · met uitleg
Je verklaart dat een lagere CO₂-concentratie in de atmosfeer tot een lagere temperatuur kan leiden. Dit test het broeikaseffect.
- Vraag 273 punten · met uitleg
Je beredeneert hoe de pestepidemie tot de verandering in vegetatie en tot de daling van de CO₂-concentratie kan hebben geleid. Dit test het verband tussen landgebruik, vegetatie en koolstofkringloop.