Hoofdstuk 10 · Biologie voor Jou · Biologie VWO
Examenvragen bij hoofdstuk 10: DNA
77 vragen uit 11 eindexamens Biologie VWO (2021 tot en met 2025) gaan over de stof van hoofdstuk 10 (DNA) van Biologie voor Jou, samen goed voor 127 punten. Bij elke vraag staat een uitleg: wat er gevraagd wordt, hoe je het aanpakt, het antwoord voor alle punten en de valkuilen. Hieronder zie je per vraag wat er gevraagd wordt; klik door om de vraag te maken.
Valkuilen bij hoofdstuk 10
Uit de uitleg bij deze vragen: antwoorden die te vaag zijn, begrippen die je makkelijk verwart en wat het correctievoorschrift wel en niet goed rekent.
- Bij vraag 5 van ‘Slangengifklieren uit het lab’ (2025, tijdvak 1) →
Dat de cellen zich gingen delen, bewijst niets: ook gedifferentieerde cellen kunnen zich delen. Ook het spontaan vormen van bolletjes zegt niets over stamcellen.
- Bij vraag 11 van ‘Hoe planten overstroming overleven’ (2025, tijdvak 1) →
Bij vakje 2 lijkt de pijl van NO naar PGB1 op productie, maar hij betekent dat NO wordt gebonden, zodat er minder vrij NO overblijft. Bij vakje 4: minder afbraak van ERF7 betekent meer ERF7, en dus meer transcriptie.
- Bij vraag 30 van ‘Onderzoek naar pijnbeleving’ (2025, tijdvak 1) →
B is de valkuil: wie de matrijsstreng gebruikt, vindt C → T. De vraag noemt uitdrukkelijk de coderende streng.
- Bij vraag 20 van ‘Verouderende eicellen’ (2025, tijdvak 2) →
Heterozygote muizen hebben nog één werkend allel: zij worden wel geslachtsrijp en kunnen het knock-out-allel doorgeven.
- Bij vraag 25 van ‘Zwanger met de ziekte van Graves’ (2025, tijdvak 2) →
Verwar methylering en acetylering niet. In deze afbeelding hoort acetylering bij een lossere verpakking en wel genexpressie, methylering bij geen genexpressie. Lees de legenda goed: driehoekjes zijn methylgroepen, bolletjes acetylgroepen.
- Bij vraag 41 van ‘Dwergolifanten op Sicilië’ (2025, tijdvak 2) →
Gelelektroforese is geen van beide technieken: daarmee scheid je DNA-fragmenten op lengte, maar je vermenigvuldigt ze niet en je leest er geen basenvolgorde mee af. Noem de naam van de techniek; een beschrijving van de stappen is niet gevraagd.
Alle 77 vragen over hoofdstuk 10
Per vraag zie je wat er gevraagd wordt. In de opgave staan de vragen over dit onderwerp in het groen.
Eindexamen 2025, tijdvak 1
- Vraag 51 punt · met uitleg
Je zoekt in de tekst het gegeven waaruit blijkt dat er stamcellen tussen de losgemaakte cellen zaten, en je legt uit waarom. Dit test wat een stamcel is.
- Vraag 62 punten · met uitleg
De onderzoekers concludeerden dat de organoïden minigifkliertjes zijn. Je beschrijft welke uitkomst van de mRNA-vergelijking tot die conclusie leidt. Dit gaat over genexpressie en celdifferentiatie.
- Vraag 72 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie mogelijke voordelen van een biobank met bevroren gifklier-organoïden. Ga na wat de organoïden wel en niet vervangen bij het maken van antiserum.
- Vraag 112 punten · met uitleg
Je bepaalt met het model in afbeelding 2 voor vier vakjes of de stof of het proces bij volledige overstroming toeneemt of afneemt. Dit test genregulatie door transcriptiefactoren.
- Vraag 122 punten · met uitleg
Je beoordeelt of drie uitspraken worden ondersteund door afbeelding 3. Dit test het lezen van onderzoeksresultaten en het redeneren met mutanten.
- Vraag 131 punt · met uitleg
Je kiest de twee genetische veranderingen die een gewas beter bestand maken tegen overstroming. Dit test of je het mechanisme uit afbeelding 2 kunt toepassen.
Eindexamen 2025, tijdvak 2
- Vraag 182 punten · met uitleg
Uit exon 1 van het gen Gpr54 is een stuk van 67 baseparen weggeknipt. Je beoordeelt drie uitspraken over het gevolg. Dit test hoe een deletie het leesraam en het eiwit verandert.
- Vraag 201 punt · met uitleg
Je licht toe waarom bevruchte eicellen die homozygoot knock-out zijn (Gpr54⁻ Gpr54⁻) niet gebruikt konden worden voor stap 3 en 4. Dit test of je een fokschema begrijpt.
- Vraag 252 punten · met uitleg
Je bepaalt met afbeelding 2 welk effect methylering van de histonstaarten heeft op de genen die door T3 worden geregeld: remming of stimulering, van de replicatie of van de transcriptie. Dit test de regulatie van genexpressie via de verpakking van het DNA.
- Vraag 262 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over T3 en de invloed van T3 op genexpressie. Dit test wat voor stof T3 is, wat een regelsequentie in het DNA doet en hoe de verpakking van DNA de transcriptie beïnvloedt.
- Vraag 272 punten · met uitleg
Je kiest in welk organel IgG-eiwitten hun secundaire en tertiaire structuur krijgen (de vouwing) en welk organel hun transport naar buiten de cel regelt. Dit test de weg van een eiwit dat de cel uitscheidt.
Eindexamen 2024, tijdvak 1
Eindexamen 2024, tijdvak 2
- Vraag 242 punten · met uitleg
Je beredeneert waarom injecties in de beenspieren genoeg zijn om in het hele lichaam LPL-activiteit te krijgen. Dit test hoe een enzym in het lichaam wordt verspreid.
- Vraag 262 punten · met uitleg
Je bepaalt van vier onderdelen van de plasmide of ze in de minicircle zitten. Dit test wat een gen nodig heeft om in een zoogdiercel tot expressie te komen, en wat alleen voor bacteriën nodig is.
- Vraag 272 punten · met uitleg
Je beschrijft een experiment met 40 LPL-deficiënte muizen waarmee je de effectiviteit van Slybera test. Je noemt de behandeling en de metingen. Dit test de opzet van een experiment met een controlegroep.
- Vraag 332 punten · met uitleg
Je bepaalt welke van twee uitspraken over inserties en deleties juist is. Dit test het effect van een mutatie op het leesraam en het eiwit.
- Vraag 341 punt · met uitleg
Je verklaart dat minder spiralisatie van de chromatinedraad het herstel van dubbelstrengsbreuken makkelijker maakt. Dit test de bouw van chromatine en het herstel van DNA.
- Vraag 352 punten · met uitleg
Je bepaalt welke lijn in afbeelding 3 het aantal plaatsen met γH2AX per kern weergeeft, en waarom. Dit test het koppelen van een meetwaarde aan een proces, met licht en donker in een grafiek.
- Vraag 362 punten · met uitleg
Je kiest het model dat past bij de resultaten van het melatonine-experiment. Dit test het lezen van twee grafieken en het bepalen van oorzaak en gevolg.
Eindexamen 2023, tijdvak 1
- Vraag 81 punt · met uitleg
Je legt uit waarom de onderzoekers PGC's modificeren en niet het andere type stamcellen. Dit test het verschil tussen lichaamscellen en geslachtscellen bij overerving.
- Vraag 92 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de binding van de transcriptiefactor aan de TATA-box. Dit test de regulatie van genexpressie.
- Vraag 102 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over het gemodificeerde DDX4-gen aan de hand van afbeelding 3 en 4. Dit test transcriptie, splicing en exons.
- Vraag 112 punten · met uitleg
Je bepaalt of het voedingsmedium GFP en/of puromycine moet bevatten om PGC's met het genconstruct te selecteren (stap 3 in afbeelding 5). Dit test selectie met een resistentiegen.
- Vraag 121 punt · met uitleg
Je legt uit hoe de gel in afbeelding 7 laat zien dat het genconstruct op de juiste plaats zit. Dit test gel-elektroforese.
- Vraag 142 punten · met uitleg
Je bepaalt of de PGC's van het Rumpless Game-embryo en het vrouwelijke barnevelder embryo transgeen zijn. Dit test het doel van de techniek.
Eindexamen 2023, tijdvak 2
- Vraag 72 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de vermenigvuldiging van het ebolavirus in een menselijke cel. Dit test het lezen van afbeelding 1, mRNA en translatie, en het celmembraan.
- Vraag 101 punt · met uitleg
Je noemt de stikstofbase waar een deel van remdesivir op lijkt. Dit test de bouw van RNA-nucleotiden.
- Vraag 111 punt · met uitleg
Je verklaart waarom de fusie van een plasmacel met een tumorcel nodig is voor langdurige antistofproductie op grote schaal. Dit test monoklonale antistoffen.
- Vraag 252 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de puntmutatie in het β-globinegen. Dit test introns, het leesraam en de eiwitstructuur.
- Vraag 322 punten · met uitleg
Je bepaalt of deel P een activatoreiwit of een enhancer is, en of BCL11A een RNA-polymerase of een transcriptiefactor is. Dit test de regulatie van genexpressie.
- Vraag 331 punt · met uitleg
Je kiest de term voor het volledig uitschakelen van een gen met genetische technieken. Dit test begrippen uit de genetische modificatie.
Eindexamen 2022, tijdvak 1
- Vraag 52 punten · met uitleg
Je omcirkelt in de tekening op de uitwerkbijlage het adduct en noteert de naam van de stikstofbase waaraan het vastzit. Dit test het herkennen van de bouw van een nucleotide en van de stikstofbasen.
- Vraag 62 punten · met uitleg
Je legt uit waarom het risico op kanker sterk toeneemt als het TP53-gen in een cellijn defect is. Dit test de rol van een tumorsuppressorgen bij de celcyclus en apoptose.
- Vraag 72 punten · met uitleg
Je verklaart waarom mutaties binnen introns niet zijn onderzocht, en waarom mutaties op de splice-plaatsen wel. Dit test het verschil tussen exons en introns en wat er bij splicing gebeurt.
- Vraag 82 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie beweringen over afbeelding 1, met de mutaties in het TP53-gen. Dit test het lezen van een figuur en het verschil tussen wat de figuur laat zien en wat je erbij denkt.
- Vraag 91 punt · met uitleg
Je legt uit waarom het tellen van adducten (methode 1) minder geschikt is dan het tellen van A-T-naar-T-A-mutaties (methode 2) om het kankerrisico te bepalen. Dit test het begrip validiteit: meet je wat je wilt weten?
Eindexamen 2022, tijdvak 2
- Vraag 21 punt · met uitleg
Je noteert de naam van de techniek waarmee je een kleine hoeveelheid DNA vermeerdert. Dit test kennis van DNA-technieken.
- Vraag 41 punt · met uitleg
Je verklaart hoe de NIPT iets kan zeggen over het geslacht van de foetus. Dit test kennis van geslachtschromosomen.
- Vraag 52 punten · met uitleg
Je bepaalt welke van twee afwijkingen de NIPT kan aantonen. Dit test wat de NIPT meet: het aantal fragmenten per chromosoom.
- Vraag 142 punten · met uitleg
Je arceert in de tabel op de uitwerkbijlage bij elk fragment het deel van de basenvolgorde dat ermee is vastgesteld. Dit test het lezen van DNA-sequenties, waaronder de tegenovergestelde streng.
- Vraag 151 punt · met uitleg
Je verklaart waarom veel repeterende sequenties shotgun-sequencing onbetrouwbaar maken. Dit test hoe de computer de fragmenten aan elkaar zet.
- Vraag 211 punt · met uitleg
Je bepaalt op welk niveau miRNA's de expressie van een gen verminderen. Dit test de stappen van genexpressie: transcriptie en translatie.
- Vraag 221 punt · met uitleg
Je bepaalt wat de mutatie in de target-genen van de gastheerplant doet, als warkruid er beter op groeit. Dit test het combineren van de gegeven tekst over RNAi met mutaties.
- Vraag 351 punt · met uitleg
Je bepaalt waardoor het DSX-eiwit bij mannetjes en vrouwtjes verschilt. Dit test alternatieve splicing.
- Vraag 361 punt · met uitleg
Je verklaart waarom het GFP-gen in het construct zit. Dit test het gebruik van een merkergen bij genetische modificatie.
- Vraag 371 punt · met uitleg
Je bepaalt welk monster van een onvruchtbaar vrouwtje komt. Dit test het lezen van een gel-elektroforese en genotype.
- Vraag 382 punten · met uitleg
Je beoordeelt twee uitspraken over embryo's met een gene-drive-construct. Dit test heterozygotie en de overerving van een gene drive.
Eindexamen 2022, tijdvak 3
- Vraag 101 punt · met uitleg
Je bepaalt welk type mutatie stap 3 in afbeelding 3 laat zien. Dit test de typen mutaties.
- Vraag 112 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie beweringen over transposons en crossing-over als bronnen van genetische variatie. Dit test waar en hoe crossing-over plaatsvindt en wat een transposon doet.
- Vraag 122 punten · met uitleg
Je bepaalt met de primers (afbeelding 4) en de gel (afbeelding 5) de genotypen van de ouders en van nakomeling 4. Dit test PCR en gel-elektroforese.
- Vraag 192 punten · met uitleg
Je bepaalt van drie organische stoffen of ze fosfor bevatten. Dit test de bouw van chlorofyl, NADH en RNA.
- Vraag 202 punten · met uitleg
Je verklaart waarom er in de F1 een groep slechte groeiers is, ook al hebben de transgene ouders het ptxD-gen. Dit test het overerven van een gen dat op één chromosoom zit.
- Vraag 342 punten · met uitleg
Je kiest de mogelijke verklaring waarom het poliovirus maar één type neuron infecteert. Dit test het verschil tussen de aanwezigheid van een gen en de expressie ervan.
- Vraag 362 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie beweringen over de vermenigvuldiging van het poliovirus, met afbeelding 3. Dit test het lezen van het vermenigvuldigingsschema.
- Vraag 391 punt · met uitleg
Je bepaalt waarvoor het gen in stap 1 moet coderen om een vaccin met VLP's te maken. Dit test de bouw van een vaccin zonder genetisch materiaal van het virus.
Eindexamen 2021, tijdvak 2
- Vraag 42 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie voorwaarden voor een virus dat als vector een gemodificeerd gen in muizen brengt, en geeft aan welke noodzakelijk zijn. Dit test virussen en gentechnologie.
- Vraag 62 punten · met uitleg
Je koppelt de letters P, Q, R en S in afbeelding 2 aan de stoffen BMS, retinolzuur, retinolzuurreceptor en RNA-polymerase. Dit test de werking van een receptor in de genregulatie en een antagonist.
- Vraag 182 punten · met uitleg
Je zoekt in afbeelding 3 de DNA-codons voor aminozuur 63, 64 en 65 en noteert daaronder een mutatie waardoor positie 64 glutamine wordt. Dit test het lezen van de code en puntmutaties.
- Vraag 191 punt · met uitleg
Je kiest het diagram in afbeelding 4 dat het overdragen van CO van hemoglobine naar de gemodificeerde neuroglobine juist weergeeft. Dit test het interpreteren van diagrammen bij een evenwichtsreactie.
- Vraag 372 punten · met uitleg
Je bepaalt welke van twee veranderingen bij veroudering tot tumoren kan leiden. Dit test het ontstaan van tumoren en de rol van telomeren.
- Vraag 392 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over genexpressie en transcriptiefactoren bij celdifferentiatie. Dit test genregulatie.
Eindexamen 2021, tijdvak 3
- Vraag 343 punten · met uitleg
Je legt uit hoe een mutatie in de regulerende sequenties van het TGFβ-gen in de bacterie tot een grotere kans op kanker bij de patiënt kan leiden. Dit test het verband tussen genregulatie, celdeling en kanker.
- Vraag 352 punten · met uitleg
Je bepaalt welk recombinant DNA Peppelenbosch in de zweepwormen inbouwt, zodat het IL-10 wel in de worm maar nooit in bacteriën werkzaam wordt. Dit test het verschil tussen splicing bij eukaryoten en prokaryoten.