Subdomein M4 · Biologie VWO
Examenvragen over Moleculaire en cellulaire interactie
54 vragen uit 10 eindexamens Biologie VWO (2021 tot en met 2025) gaan over het subdomein Moleculaire en cellulaire interactie, samen goed voor 95 punten. Bij elke vraag staat een uitleg: wat er gevraagd wordt, hoe je het aanpakt, het antwoord voor alle punten en de valkuilen. Hieronder zie je per vraag wat er gevraagd wordt; klik door om de vraag te maken.
Valkuilen bij Moleculaire en cellulaire interactie
Uit de uitleg bij deze vragen: antwoorden die te vaag zijn, begrippen die je makkelijk verwart en wat het correctievoorschrift wel en niet goed rekent.
- Bij vraag 11 van ‘Hoe planten overstroming overleven’ (2025, tijdvak 1) →
Bij vakje 2 lijkt de pijl van NO naar PGB1 op productie, maar hij betekent dat NO wordt gebonden, zodat er minder vrij NO overblijft. Bij vakje 4: minder afbraak van ERF7 betekent meer ERF7, en dus meer transcriptie.
- Bij vraag 25 van ‘Zwanger met de ziekte van Graves’ (2025, tijdvak 2) →
Verwar methylering en acetylering niet. In deze afbeelding hoort acetylering bij een lossere verpakking en wel genexpressie, methylering bij geen genexpressie. Lees de legenda goed: driehoekjes zijn methylgroepen, bolletjes acetylgroepen.
- Bij vraag 22 van ‘Drop’ (2024, tijdvak 1) →
'Versterker' klinkt als wat de MR doet, maar een enhancer is een plek op het DNA.
- Bij vraag 33 van ‘Bonenziekte’ (2024, tijdvak 1) →
Er ontstaat geen mutatie: het DNA is niet veranderd. Alleen een definitie van epigenetica is te weinig; koppel die aan de X-inactivatie.
- Bij vraag 40 van ‘PFAS in groentetuintjes’ (2024, tijdvak 1) →
'Regulatorgenen' levert geen punt op: dat is te algemeen.
- Bij vraag 30 van ‘Slaap herstelt DNA’ (2024, tijdvak 2) →
Steroïdhormonen kunnen de celmembraan wel door en werken in de cel. Dat geldt niet voor melatonine in deze opgave, want de tekst noemt een peptidehormoon met receptoren op de celmembraan.
Alle 54 vragen over Moleculaire en cellulaire interactie
Per vraag zie je wat er gevraagd wordt. In de opgave staan de vragen over dit onderwerp in het groen.
Eindexamen 2025, tijdvak 1
- Vraag 112 punten · met uitleg
Je bepaalt met het model in afbeelding 2 voor vier vakjes of de stof of het proces bij volledige overstroming toeneemt of afneemt. Dit test genregulatie door transcriptiefactoren.
- Vraag 122 punten · met uitleg
Je beoordeelt of drie uitspraken worden ondersteund door afbeelding 3. Dit test het lezen van onderzoeksresultaten en het redeneren met mutanten.
Eindexamen 2025, tijdvak 2
- Vraag 252 punten · met uitleg
Je bepaalt met afbeelding 2 welk effect methylering van de histonstaarten heeft op de genen die door T3 worden geregeld: remming of stimulering, van de replicatie of van de transcriptie. Dit test de regulatie van genexpressie via de verpakking van het DNA.
- Vraag 262 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over T3 en de invloed van T3 op genexpressie. Dit test wat voor stof T3 is, wat een regelsequentie in het DNA doet en hoe de verpakking van DNA de transcriptie beïnvloedt.
- Vraag 282 punten · met uitleg
Door de zwangerschap vouwen nieuwe IgG-eiwitten anders. Je beschrijft het directe effect daarvan op molecuulniveau en het gevolg voor de schildklier. Dit test hoe de ruimtelijke vorm van een antistof bepaalt waaraan hij bindt.
Eindexamen 2024, tijdvak 1
- Vraag 12 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de synaps in afbeelding 1. Je hebt kennis nodig van agonisten en antagonisten, van exocytose en van de heropname van een neurotransmitter.
- Vraag 23 punten · met uitleg
Je legt uit waarom het beloningscentrum met nicotine sterker wordt geactiveerd dan met acetylcholine. Dit test hoe een synaps werkt en wat de afbraak van een neurotransmitter doet.
Eindexamen 2024, tijdvak 2
- Vraag 302 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de werking van melatonine op doelwitcellen. Dit test hoe een hormoon met een receptor op de celmembraan werkt.
- Vraag 322 punten · met uitleg
Je legt uit dat actieve neuronen veel ATP gebruiken, met een proces op cellulair niveau en een proces op moleculair niveau. Dit test waarvoor een zenuwcel ATP nodig heeft.
Eindexamen 2023, tijdvak 1
- Vraag 81 punt · met uitleg
Je legt uit waarom de onderzoekers PGC's modificeren en niet het andere type stamcellen. Dit test het verschil tussen lichaamscellen en geslachtscellen bij overerving.
- Vraag 92 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over de binding van de transcriptiefactor aan de TATA-box. Dit test de regulatie van genexpressie.
- Vraag 102 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over het gemodificeerde DDX4-gen aan de hand van afbeelding 3 en 4. Dit test transcriptie, splicing en exons.
- Vraag 112 punten · met uitleg
Je bepaalt of het voedingsmedium GFP en/of puromycine moet bevatten om PGC's met het genconstruct te selecteren (stap 3 in afbeelding 5). Dit test selectie met een resistentiegen.
- Vraag 121 punt · met uitleg
Je legt uit hoe de gel in afbeelding 7 laat zien dat het genconstruct op de juiste plaats zit. Dit test gel-elektroforese.
- Vraag 142 punten · met uitleg
Je bepaalt of de PGC's van het Rumpless Game-embryo en het vrouwelijke barnevelder embryo transgeen zijn. Dit test het doel van de techniek.
Eindexamen 2022, tijdvak 1
- Vraag 52 punten · met uitleg
Je omcirkelt in de tekening op de uitwerkbijlage het adduct en noteert de naam van de stikstofbase waaraan het vastzit. Dit test het herkennen van de bouw van een nucleotide en van de stikstofbasen.
- Vraag 72 punten · met uitleg
Je verklaart waarom mutaties binnen introns niet zijn onderzocht, en waarom mutaties op de splice-plaatsen wel. Dit test het verschil tussen exons en introns en wat er bij splicing gebeurt.
- Vraag 82 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie beweringen over afbeelding 1, met de mutaties in het TP53-gen. Dit test het lezen van een figuur en het verschil tussen wat de figuur laat zien en wat je erbij denkt.
- Vraag 91 punt · met uitleg
Je legt uit waarom het tellen van adducten (methode 1) minder geschikt is dan het tellen van A-T-naar-T-A-mutaties (methode 2) om het kankerrisico te bepalen. Dit test het begrip validiteit: meet je wat je wilt weten?
Eindexamen 2022, tijdvak 2
Eindexamen 2022, tijdvak 3
- Vraag 101 punt · met uitleg
Je bepaalt welk type mutatie stap 3 in afbeelding 3 laat zien. Dit test de typen mutaties.
- Vraag 112 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie beweringen over transposons en crossing-over als bronnen van genetische variatie. Dit test waar en hoe crossing-over plaatsvindt en wat een transposon doet.
- Vraag 122 punten · met uitleg
Je bepaalt met de primers (afbeelding 4) en de gel (afbeelding 5) de genotypen van de ouders en van nakomeling 4. Dit test PCR en gel-elektroforese.
- Vraag 342 punten · met uitleg
Je kiest de mogelijke verklaring waarom het poliovirus maar één type neuron infecteert. Dit test het verschil tussen de aanwezigheid van een gen en de expressie ervan.
- Vraag 362 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie beweringen over de vermenigvuldiging van het poliovirus, met afbeelding 3. Dit test het lezen van het vermenigvuldigingsschema.
- Vraag 391 punt · met uitleg
Je bepaalt waarvoor het gen in stap 1 moet coderen om een vaccin met VLP's te maken. Dit test de bouw van een vaccin zonder genetisch materiaal van het virus.
Eindexamen 2021, tijdvak 2
- Vraag 42 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie voorwaarden voor een virus dat als vector een gemodificeerd gen in muizen brengt, en geeft aan welke noodzakelijk zijn. Dit test virussen en gentechnologie.
- Vraag 62 punten · met uitleg
Je koppelt de letters P, Q, R en S in afbeelding 2 aan de stoffen BMS, retinolzuur, retinolzuurreceptor en RNA-polymerase. Dit test de werking van een receptor in de genregulatie en een antagonist.
- Vraag 182 punten · met uitleg
Je zoekt in afbeelding 3 de DNA-codons voor aminozuur 63, 64 en 65 en noteert daaronder een mutatie waardoor positie 64 glutamine wordt. Dit test het lezen van de code en puntmutaties.
- Vraag 191 punt · met uitleg
Je kiest het diagram in afbeelding 4 dat het overdragen van CO van hemoglobine naar de gemodificeerde neuroglobine juist weergeeft. Dit test het interpreteren van diagrammen bij een evenwichtsreactie.
- Vraag 342 punten · met uitleg
Je legt uit hoe groot de kans is dat Tom drager van PKU is. Dit test recessieve overerving en kansberekening.
- Vraag 352 punten · met uitleg
Je berekent de kans dat Sandra drager is van het PKU-allel met de regel van Hardy-Weinberg, als percentage met één decimaal. Dit test Hardy-Weinberg.
- Vraag 372 punten · met uitleg
Je bepaalt welke van twee veranderingen bij veroudering tot tumoren kan leiden. Dit test het ontstaan van tumoren en de rol van telomeren.
- Vraag 392 punten · met uitleg
Je beoordeelt drie uitspraken over genexpressie en transcriptiefactoren bij celdifferentiatie. Dit test genregulatie.
Eindexamen 2021, tijdvak 3
- Vraag 172 punten · met uitleg
Je bepaalt welke stikstofbasen in de coderende streng van het DNA zijn verwisseld als er arginine in plaats van leucine wordt ingebouwd. Dit test het gebruik van de codontabel en het verband tussen DNA, mRNA en eiwit.
- Vraag 192 punten · met uitleg
Je bepaalt welke van twee beweringen over de celkweek juist is. Dit test het verschil tussen mitose en meiose en de rol van toeval bij de verdeling van mitochondria.
- Vraag 201 punt · met uitleg
Je beredeneert dat een tijdelijk hoog percentage gemuteerde mitochondria in een embryo toch tot afwijkingen bij het kind kan leiden. Dit test de gevolgen van gemuteerde mitochondria voor de ontwikkeling.
- Vraag 212 punten · met uitleg
Je legt uit waarom het aan te bevelen is om MST alleen voor de conceptie van jongens toe te passen. Dit test hoe mtDNA wordt overgeërfd.
- Vraag 343 punten · met uitleg
Je legt uit hoe een mutatie in de regulerende sequenties van het TGFβ-gen in de bacterie tot een grotere kans op kanker bij de patiënt kan leiden. Dit test het verband tussen genregulatie, celdeling en kanker.
- Vraag 352 punten · met uitleg
Je bepaalt welk recombinant DNA Peppelenbosch in de zweepwormen inbouwt, zodat het IL-10 wel in de worm maar nooit in bacteriën werkzaam wordt. Dit test het verschil tussen splicing bij eukaryoten en prokaryoten.