maximumscore 5
voorbeeld van een antwoord:
Uit de figuur blijkt dat (I0I)lichaamsweefsel gelijk is aan 0,004 bij acht halveringsdiktes. Omdat d1/2,leverweefsel=0,9⋅d1/2,water, is (I0I)leverweefsel dus gelijk aan 0,004 bij 0,9 maal acht halveringsdiktes van water, dus bij 7,2d1/2,water.
[Grafiek: een rechte lijn voor leverweefsel vanaf hetzelfde beginpunt als de lijn voor water, steiler dan die van water, met eindpunt bij 8 halveringsdiktes tussen I0I=0,002 en I0I=0,003]
- De verhouding van de doorgelaten intensiteiten bij water (lichaamsweefsel) en de lever is groter als het aantal halveringsdiktes groter wordt. Dus het contrast is groter bij een groot aantal halveringsdiktes. Voor een zo groot mogelijk contrast moet de halveringsdikte zo klein mogelijk zijn.
De halveringsdikte is kleiner bij kleinere fotonenergieën, dus de lever is beter zichtbaar bij kleinere fotonenergieën.
- inzicht dat de grafiek voor leverweefsel een rechte lijn is met hetzelfde beginpunt als de grafiek voor water [1]
- gebruik van d1/2,leverweefsel=0,9⋅d1/2,water en tekenen van de grafiek voor leverweefsel, met eindpunt tussen I0I=0,002 en I0I=0,003 [1]
- inzicht in het verband tussen het contrast en het aantal halveringsdiktes [1]
- inzicht in het verband tussen de fotonenergie en de halveringsdikte [1]
- consequente conclusie [1]
opmerking
Het derde scorepunt "inzicht in het verband tussen het contrast en het aantal halveringsdiktes" kan toegekend worden als:
- de kandidaat, overeenkomstig het voorbeeld van een antwoord, het inzicht toont dat het contrast groter is bij een groot aantal halveringsdiktes, of;
- de kandidaat het inzicht toont dat het contrast groter is bij een klein aantal halveringsdiktes.
Toelichting (aanvulling): In de opgave zijn in de formule voor het contrast de teller en de noemer verwisseld, waardoor het contrast volgens deze definitie maximaal is als (I0I)leverweefsel=(I0I)lichaamsweefsel. Dit leidt dan tot de conclusie dat het contrast groter is bij een klein aantal halveringsdiktes. Daaruit volgt dan de consequente conclusie dat de halveringsdikte zo groot mogelijk moet zijn en dat dus het contrast het grootst is bij grote fotonenergie. Als een kandidaat het juiste fysische inzicht toont dat het contrast groter is bij een groot aantal halveringsdiktes en dat dus het contrast het grootst is bij kleine fotonenergie, moet dit ook goed gerekend worden.