Slaag-zakregeling HAVO en VWO: wanneer ben je geslaagd?
Na de examens wil je maar één ding weten: ben ik geslaagd? Het antwoord hangt af van een handvol regels die in de wet staan, in het Uitvoeringsbesluit WVO 2020. Ze gelden voor alle scholen voor HAVO en VWO in Nederland. In dit artikel zetten we ze op een rij, met voorbeelden.
Stap 1: van schoolexamen en centraal examen naar een eindcijfer
Voor de meeste vakken heb je twee cijfers:
- het schoolexamencijfer (SE): het cijfer voor je schoolexamens, met één decimaal. Hoe zwaar elke toets meetelt, staat in het programma van toetsing en afsluiting (PTA) van je school;
- het cijfer voor het centraal examen (CE): je score op het landelijke examen, omgezet in een cijfer met één decimaal. Hoe die omzetting werkt, lees je in De N-term uitgelegd.
Je eindcijfer is het gemiddelde van die twee, afgerond op een heel cijfer. Is het eerste cijfer achter de komma een 4 of lager, dan wordt naar beneden afgerond; is het een 5 of hoger, dan naar boven.
Rekenvoorbeeld: waarom 5,45 een 5 wordt
- SE 5,6 en CE 5,4: gemiddelde 5,50, eindcijfer 6.
- SE 5,4 en CE 5,5: gemiddelde 5,45, eindcijfer 5. Het eerste cijfer achter de komma is een 4, dus er wordt naar beneden afgerond.
Een tiende in je SE- of CE-cijfer kan dus het verschil maken tussen een 5 en een 6.
Heeft een vak alleen een schoolexamen en geen centraal examen, dan is je schoolexamencijfer meteen je eindcijfer, als heel cijfer.
Stap 2: de regels om te slagen
Je bent geslaagd als je aan alle onderstaande regels voldoet.
Regel 1: je CE-cijfers zijn gemiddeld minstens een 5,5
Tel al je cijfers voor het centraal examen bij elkaar op en deel door het aantal. Dat gemiddelde moet ten minste 5,5 zijn. Hier wordt niet afgerond: een gemiddelde van 5,48 is niet genoeg. Deze regel bestaat zodat je een zwak centraal examen niet volledig kunt goedmaken met hoge schoolexamencijfers.
Voorbeeld: CE-cijfers 5,8 / 5,2 / 5,6 / 5,3 / 5,6 / 5,4 geven samen 32,9, gedeeld door 6 is dat 5,48. Dat is te laag, ook als al je eindcijfers voldoende zijn.
Regel 2: de kernvakkenregel
Voor Nederlands, Engels en wiskunde (als wiskunde in je pakket zit) geldt een strengere regel: hooguit één van deze vakken mag een 5 als eindcijfer hebben, en de andere moeten een 6 of hoger zijn. Een 4 of lager voor een kernvak betekent dus altijd gezakt.
Regel 3: hoeveel onvoldoendes je mag hebben
Voor al je eindcijfers samen moet je in één van deze vier situaties zitten:
| Onvoldoendes | De rest | Extra eis |
|---|---|---|
| Geen of één 5 | 6 of hoger | geen |
| Eén 4 | 6 of hoger | gemiddelde eindcijfer ten minste 6,0 |
| Twee 5'en | 6 of hoger | gemiddelde eindcijfer ten minste 6,0 |
| Eén 4 en één 5 | 6 of hoger | gemiddelde eindcijfer ten minste 6,0 |
Meer onvoldoendes, of een 3 of lager, betekent gezakt. En de kernvakkenregel geldt daarnaast: twee 5'en mag dus wel, maar niet als het allebei kernvakken zijn.
Regel 4: het combinatiecijfer
Een paar kleinere onderdelen tellen samen als één eindcijfer: het combinatiecijfer. Daarin zitten in elk geval maatschappijleer, culturele en kunstzinnige vorming (ckv) en het profielwerkstuk. Je school kan er nog onderdelen aan toevoegen, zoals algemene natuurwetenschappen; dat staat in het examenreglement van je school. Het combinatiecijfer is het gemiddelde van die onderdelen, afgerond op dezelfde manier als je eindcijfers. Let op: geen van de onderdelen mag lager zijn dan een 4.
Regel 5: lichamelijke opvoeding
Voor lichamelijke opvoeding krijg je geen cijfer, maar een beoordeling. Die moet voldoende of goed zijn.
Rekenvoorbeeld: geslaagd of gezakt?
Een VWO-leerling met deze eindcijfers, en een gemiddeld CE-cijfer boven de 5,5. Het voorbeeld is vereenvoudigd: in een echt vakkenpakket kunnen meer vakken staan, en die tellen dan ook mee.
| Vak | Eindcijfer |
|---|---|
| Nederlands | 6 |
| Engels | 7 |
| Duits | 6 |
| Wiskunde B | 5 |
| Natuurkunde | 5 |
| Scheikunde | 6 |
| Biologie | 7 |
| Combinatiecijfer | 7 |
- Kernvakken: Nederlands 6, Engels 7 en Wiskunde B 5. Eén 5 bij de kernvakken mag.
- Onvoldoendes: twee 5'en (Wiskunde B en Natuurkunde), de rest 6 of hoger. Dan moet het gemiddelde ten minste 6,0 zijn.
- Gemiddelde: (6 + 7 + 6 + 5 + 5 + 6 + 7 + 7) ÷ 8 = 49 ÷ 8 = 6,13. Dat is genoeg.
Deze leerling is geslaagd, mits lichamelijke opvoeding voldoende is. Maar stel dat Wiskunde B een 4 was geweest in plaats van een 5. Dan is de leerling gezakt, ook al voldoet het rijtje verder aan "één 4 en één 5": wiskunde is een kernvak, en daarvoor is een 4 nooit genoeg.
Herkansen
Ben je niet tevreden over een centraal examen, dan mag je één vak herkansen in het tweede tijdvak. Het hoogste van de twee CE-cijfers telt. Herkansen kan dus nooit slechter uitpakken. Je moet je wel op tijd schriftelijk aanmelden bij je school; de school bepaalt de deadline. Het tweede tijdvak heeft een eigen examen met een eigen N-term.
Een extra vak
Heb je een vak meer gedaan dan nodig is voor je profiel? Als dat nodig is om te slagen, laat de school het eindcijfer van dat extra vak buiten de uitslag, zolang de vakken die overblijven samen een geldig eindexamen vormen. Een extra vak kan je dus niet laten zakken.
Cum laude
Met heel goede cijfers slaag je met het judicium cum laude. Daarvoor heb je nodig:
- een gemiddeld eindcijfer van ten minste 8,0 over de vakken van het gemeenschappelijk deel, het combinatiecijfer, de vakken van je profieldeel en het vak uit je vrije deel met het hoogste eindcijfer;
- op het VWO: voor alle vakken die meetellen voor de uitslag ten minste een 7 (of "voldoende");
- op de HAVO: voor alle vakken die meetellen voor de uitslag ten minste een 6 (of "voldoende").
Wat betekent dit voor je voorbereiding?
- Het centraal examen telt dubbel. Het is de helft van je eindcijfer, en daarnaast moet het gemiddelde van je CE-cijfers een 5,5 zijn. Goede schoolexamencijfers zijn geen garantie.
- Ken je kernvakken. Een 4 voor Nederlands, Engels of wiskunde kun je niet compenseren.
- Reken met je eigen cijfers. Weet je je SE-cijfers, reken dan uit welk CE-cijfer je per vak nodig hebt voor een 6. Dan weet je waar je extra tijd in moet steken.
- Oefen onder examenomstandigheden. Maak volledige examens van eerdere jaren en reken je score om met de N-term van dat jaar. Zo weet je welk CE-cijfer je nu zou halen.
Deze regels gelden voor het eindexamen op een school. Je school kan in het examenreglement aanvullende afspraken maken, bijvoorbeeld over welke onderdelen in het combinatiecijfer zitten. Bij twijfel heeft je examensecretaris het laatste woord.
Bron
- Uitvoeringsbesluit WVO 2020, artikel 3.13 (schoolexamencijfer), 3.32 (eindcijfer), 3.33 (extra vak), 3.34 (uitslag HAVO en VWO), 3.38 en 3.39 (herkansing) en 3.47 (cum laude)