| Het Team

De N-term uitgelegd: zo wordt je score op het eindexamen een cijfer

Na het centraal examen hoor je het overal: "De N-term van natuurkunde is 2,2!" of "Scheikunde kreeg maar een 0,9." Maar wat betekent dat getal eigenlijk, en wat doet het met jouw cijfer? In dit artikel leggen we uit hoe het College voor Toetsen en Examens (CvTE) een score omzet in een cijfer, met rekenvoorbeelden en de echte N-termen van de afgelopen jaren.

De formule

Bij het centraal examen haal je eerst een score: het aantal punten dat je volgens het correctievoorschrift verdient. Die score wordt daarna omgezet in een cijfer met deze formule:

cijfer = 9,0 × (score ÷ maximumscore) + N

Het eerste deel, 9,0 × (score ÷ maximumscore), is het deel van de punten dat je hebt gehaald, omgerekend naar een getal tussen 0 en 9. Daar komt de normeringsterm N bij. Bij een N-term van 1,0 krijg je met 0 punten een 1,0 en met alle punten een 10,0: een rechte lijn van 1 naar 10.

Rekenvoorbeeld

Het examen Biologie VWO van 2025 (eerste tijdvak) had een maximumscore van 67 punten en een N-term van 1,3. Stel dat je 40 punten haalt:

  • 9,0 × 40 ÷ 67 = 5,37
  • 5,37 + 1,3 = 6,67

Met een N-term van 1,0 was dezelfde score 6,37 geweest. Het verschil van 0,3 in de N-term is dus precies 0,3 in je cijfer.

Waarom bestaat de N-term?

Geen twee examens zijn precies even moeilijk. De examenmakers proberen elk jaar een examen te maken dat net zo zwaar is als het vorige, maar dat lukt nooit helemaal. Als het cijfer alleen van je score afhing, zou je in een jaar met een moeilijk examen pech hebben en in een makkelijk jaar geluk.

De N-term corrigeert daarvoor. Is een examen moeilijker uitgevallen dan bedoeld, dan krijgt het een hogere N-term, zodat dezelfde prestatie toch hetzelfde cijfer oplevert. Was het makkelijker, dan wordt de N-term lager. Het doel is dat de eis elk jaar gelijk blijft: wie in 2024 een 6 verdiende, zou dat in 2025 ook verdienen.

Een hoge N-term is dus geen cadeautje. Hij betekent dat het examen zwaarder was, en dat je score waarschijnlijk lager uitvalt dan bij een makkelijker examen.

Hoe wordt de N-term bepaald?

Het CvTE stelt de N-term per examen vast, na afloop van het examen. De regels staan in de Regeling omzetting scores in cijfers VO. Volgens die regeling weegt het CvTE alle beschikbare informatie over het examen, waaronder:

  • vooraf of achteraf afgenomen toetsen en ankervragen, waarmee de moeilijkheid van examens van verschillende jaren te vergelijken is;
  • het oordeel van commissies en groepen deskundigen die het examen vergelijken met dat van eerdere jaren;
  • schattingen van hoe de vaardigheid van de leerlingen verandert;
  • het oordeel van docenten;
  • de N-termen van eerdere jaren.

De N-term is een getal met één decimaal en ligt in principe tussen 0,0 en 2,0. Als de moeilijkheid van een examen het nodig maakt, mag hij incidenteel hoger zijn. Dat gebeurt echt: Wiskunde A VWO kreeg in 2024 een N-term van 2,1, en Natuurkunde VWO in 2026 zelfs 2,2.

De grensregels: nooit lager dan 1, nooit hoger dan 10

Bij een N-term van 2,2 zou je met de formule alleen al een 2,2 halen met 0 punten, en een 11,2 met alle punten. Dat kan natuurlijk niet. Daarom gelden er twee vaste afspraken:

  • Een score van 0 punten levert altijd een 1,0 op.
  • Alle punten halen levert altijd een 10,0 op.

Om dat te regelen, gebruikt het CvTE naast de gewone formule twee grenslijnen. Bij een N-term hoger dan 1,0 zijn dat:

  • onderaan: cijfer = 1,0 + score × (9 ÷ maximumscore) × 2
  • bovenaan: cijfer = 10,0 − (maximumscore − score) × (9 ÷ maximumscore) × 0,5

Je cijfer is dan de laagste van de drie uitkomsten. Bij een N-term lager dan 1,0 werkt het andersom: de grenslijnen hebben dan de factoren 0,5 (onderaan) en 2 (bovenaan), en je cijfer is de hoogste van de drie. Bij een N-term van precies 1,0 zijn de grenslijnen niet nodig.

Rekenvoorbeeld met een hoge N-term

Natuurkunde VWO 2026 (eerste tijdvak): maximumscore 76, N-term 2,2.

ScoreGewone formuleGrenslijn onderaanGrenslijn bovenaanCijfer (laagste)
02,201,005,501,0
52,792,185,802,2
406,9410,477,876,9
7010,4917,589,649,6
7611,2019,0010,0010,0

In het midden, waar de meeste leerlingen scoren, geldt gewoon de formule. Alleen bij heel lage en heel hoge scores nemen de grenslijnen het over. Rond de 5,5 maakt de grensregel dus vrijwel nooit uit.

Hoeveel punten heb je nodig voor een 5,5?

Omdat de formule een rechte lijn is, kun je uitrekenen welk deel van de punten je nodig hebt om met de formule op 5,5 uit te komen:

benodigd deel van de punten = (5,5 − N) ÷ 9

N-termDeel van de punten voor een 5,5
0,852%
1,050%
1,248%
1,544%
1,742%
2,039%
2,237%

Twee voorbeelden uit echte examens:

  • Natuurkunde VWO 2026 (maximumscore 76, N = 2,2): met 28 punten kom je op 5,52.
  • Scheikunde VWO 2024 (maximumscore 64, N = 0,9): met 33 punten kom je op 5,54.

De precieze cijfers per score staan in de omzettingstabel die per examen op Examenblad.nl verschijnt. Die tabel is leidend.

Nog iets wat uit de formule volgt: elk punt is evenveel waard. Op een examen van 67 punten levert één extra punt 9 ÷ 67 = 0,13 op in je cijfer. Rond de 5,5 kan één vergeten eenheid of één te vaag antwoord dus net het verschil maken.

De N-termen van 2021 tot en met 2026

Hieronder de vastgestelde N-termen van het eerste tijdvak voor de bètavakken, met de maximumscore tussen haakjes.

Examen202120222023202420252026
Biologie VWO1,2 (66)1,0 (67)1,0 (64)1,5 (68)1,3 (67)1,2 (65)
Natuurkunde VWO1,1 (78)1,4 (78)1,0 (76)1,7 (77)1,3 (73)2,2 (76)
Scheikunde VWO1,4 (63)1,3 (64)1,2 (66)0,9 (64)1,7 (66)1,6 (68)
Wiskunde A VWO1,6 (82)1,4 (81)1,4 (80)2,1 (77)1,8 (78)1,7 (75)
Wiskunde B VWO1,5 (74)1,8 (76)1,9 (76)2,1 (76)1,6 (77)1,7 (75)
Biologie HAVO1,0 (70)1,2 (71)1,0 (70)1,2 (71)1,0 (69)0,9 (71)
Natuurkunde HAVO1,5 (78)1,7 (77)1,0 (76)1,2 (76)1,2 (76)0,9 (75)
Scheikunde HAVO1,4 (78)1,5 (77)1,4 (76)1,4 (77)1,0 (76)1,2 (78)
Wiskunde A HAVO1,2 (81)1,2 (77)1,3 (76)1,1 (76)1,0 (82)0,8 (75)
Wiskunde B HAVO1,8 (76)1,7 (75)1,7 (75)1,4 (76)1,3 (73)1,9 (74)

Wat opvalt:

  • De N-term schommelt flink. Natuurkunde VWO ging van 1,3 in 2025 naar 2,2 in 2026; Scheikunde VWO van 0,9 in 2024 naar 1,7 in 2025. Een verschil van 0,8 is bijna een heel cijferpunt.
  • De wiskundevakken op het VWO krijgen vaak een hoge N-term. Wiskunde B VWO zat in deze zes jaar nooit onder de 1,5.
  • De maximumscore verschilt ook. Die ligt niet vast, maar hangt af van de vragen van dat jaar. Reken dus altijd met de maximumscore van het examen dat je maakt.

Wanneer wordt de N-term bekend?

De N-termen van het eerste tijdvak verschijnen een paar weken na de examens, altijd om 8.00 uur op Examenblad.nl. In de afgelopen jaren was dat half juni: op 9 juni 2022, 14 juni 2023, 12 juni 2024 en 12 juni 2025. Het tweede tijdvak (de herkansingen) krijgt een eigen N-term, die later bekend wordt. Het is een ander examen, dus de N-term kan anders zijn dan in het eerste tijdvak.

Wat betekent dit voor jou?

  1. Reken niet op een hoge N-term. Je weet pas na het examen hoe hoog hij wordt, en een hoge N-term betekent vooral dat het examen zwaar was.
  2. Reken je oefenexamens om met de echte N-term. Maak je een oud examen, zoek dan de N-term van dat jaar op in de tabel hierboven. Zo weet je welk cijfer je score echt waard was, in plaats van een schatting op basis van 50%.
  3. Elk punt telt even zwaar. Het loont om bij elke vraag het laatste punt te pakken: de eenheid, het juiste aantal significante cijfers, de reden bij een conclusie. In de uitleg bij elke vraag op deze site staat per vraag waar je die punten haalt.
  4. Vergeet het schoolexamen niet. Je eindcijfer is het gemiddelde van je schoolexamencijfer en je CE-cijfer. Om te slagen moet bovendien het gemiddelde van al je CE-cijfers ten minste een 5,5 zijn.

👉 Maak een volledig oud examen en reken je score om met de N-term van dat jaar, of oefen per onderwerp.

Bronnen